Beleid

ARMOEDE

Ongeveer 11% van de Vlaamse bevolking bevindt zich onder de armoederisicodrempel. Dit cijfer is al een tiental jaren stabiel. Daartegenover stellen we sinds 2005 een toename van kinderarmoede vast. Op 8 jaar tijd is de kansarmoede-index van Kind en Gezin bijna verdubbeld. 

Vlaanderen heeft zich in het kader van de Europese EU2020 groeistrategie in het Pact 2020 tot doel gesteld het aantal personen in armoede in Vlaanderen tegen 2020 met 30 % te verminderen en het aantal kinderen dat in armoede geboren wordt, te halveren. Ik zal de armoedebestrijding deze regeerperiode dan ook meer structureel en minder projectmatig aanpakken, waarbij ik versterkt inzet op gezinnen in armoede met jonge kinderen.

Doelstelling 1: het voorkomen en bestrijden van onderbescherming.

Vlaanderen beschikt over een uitgebreid vangnet aan sociale maatregelen maar het systeem is complex en versnipperd. Vaak zijn het de mensen die er het meest nood aan hebben, die niet alle bestaande hulp- en dienstverlening ontvangen. Waar mogelijk, zal ik de automatische toekenning van sociale rechten nastreven. Wanneer dit niet mogelijk is, bekijk ik of verdere administratieve vereenvoudiging mogelijk is en zet ik in op het proactief informeren van mensen over hun sociale grondrechten.

Doelstelling 2: Een voorafgaande systematische toetsing van wijzigende of nieuwe regelgeving aan de effecten op mensen in armoede en de armoedesituatie in Vlaanderen.

Doelstelling 3: Waken over een correcte beeldvorming omtrent armoede.

We zorgen daarbij ook voor een breed maatschappelijk draagvlak voor armoedebestrijding door zowel publieke als private actoren actief te betrekken bij het ontwikkelen en verbeteren van oplossingen voor deze problematiek.

Het Vlaams Regeerakkoord schuift de strijd tegen kinderarmoede en generatiearmoede naar voor als prioriteiten binnen het armoedebestrijdingsbeleid. Daarom zet ik versterkt in op gezinnen in armoede met jonge kinderen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de bestrijding van kinderarmoede de sleutel is om de vicieuze cirkel van generatiearmoede te doorbreken.

Mijn beleid op dit vlak wordt ingevuld volgens vier pijlers.

Pijler 1: De participatie versterken van gezinnen in armoede met jonge kinderen aan de samenleving.

Pijler 2: De toegang tot kwaliteitsvolle diensten voor gezinnen met jonge kinderen.

Pijler 3: De inkomenssituatie van gezinnen met jonge kinderen verbeteren. Waar de meeste bevoegdheden met betrekking tot inkomen, uitkeringen en toelagen zich op het federale niveau bevinden, is Vlaanderen bevoegd voor een aantal kostenverlagende maatregelen zoals de inkomensgerelateerde kinderopvang, de schooltoelage en de huurpremie.

Pijler 4: Het sterker maken van kinderen, jongeren en ouders.

Om de effectiviteit van het armoedebeleid te verhogen, realiseer ik de nodige afstemming met andere beleidsniveaus. Het huidige armoededecreet dateert van 2003. Ik zal dit decreet evalueren en actualiseren waar nodig.

 

BESTUURSZAKEN

“Beter Bestuurlijk Beleid” wordt herdacht, in die zin dat de Vlaamse overheid gaat functioneren als een holdingstructuur, met operationele entiteiten die een zekere autonomie hebben in hun dagelijks functioneren, én met een moedermaatschappij (de Vlaamse Regering) die de gemeenschappelijke dienstverlening bepaalt en beslist door wie ze uitgevoerd wordt.

Ik stuur het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid bij om een aantal afspraken uit het regeerakkoord te formaliseren. In een eerste fase betreft dit het holdingmodel, de afschaffing van de beheers- en managementovereenkomsten en het verder loslaten van de opdeling beleidsvoorbereiding – beleidsuitvoering. Ik zorg ook voor een nieuw HR-model en een overkoepelend ICT- en informatiebeleid.

Ik ga resoluut voor een proactief en centraal vastgoedbeleid om vastgoed als een strategische troef uit te spelen en de vastgoedportefeuille van de Vlaamse overheid als een goede huisvader te beheren. Bouwprojecten en preventief technisch gebouwbeheer worden in de toekomst meer proactief, op lange termijn en in nauw overleg met de klanten ingepland, aan de hand van meerjarenplanningen. Ik zet de nodige instrumenten in om overheidsgebouwen duurzamer en toegankelijker te maken.

Ter ondersteuning van de facilitaire noden binnen de Vlaamse overheid evolueert het agentschap Facilitair Bedrijf naar een integrale dienstverlener en neemt het de rol op van kenniscentrum rond de verschillende aspecten van facilitair management. Wat betreft schoonmaak streef ik naar oplossingen die marktconform zijn en die op gebied van kostenefficiëntie en kwaliteit de beste zijn.

Om het inkoopbeleid van de Vlaamse overheid te professionaliseren en om voor alle entiteiten de beste prijs-kwaliteitverhouding te bekomen, zet ik voor de aankoop van goederen en diensten in functie van de bedrijfsvoering een aankoopcentrale op binnen het Facilitair Bedrijf. Ik zie in overheidsopdrachten een belangrijk beleidsinstrument in het streven naar meer efficiëntie binnen de organisatie en het potentieel om als Vlaamse overheid een voortrekkersrol op te nemen m.b.t het stimuleren van ecologische, sociale en innovatieve oplossingen. Om als Vlaamse overheid de Europese beleidsdoelstelling op het vlak van e-procurement en e-invoicing te realiseren, zet ik de digitalisering van overheidsopdrachten verder.

Digitaal de status van het eigen dossier raadplegen, alle relevante informatie over de dienstverlening vinden, … zijn standaard diensten bij banken en verzekeringsinstellingen. Vlaamse overheidsdiensten moeten dit ook aanbieden en wel integraal, vanuit één virtueel loket. Om deze uitdagingen aan te pakken wordt de Vlaamse overheid versterkt met de oprichting van het Agentschap Informatie Vlaanderen.

Digitaliseren en het gebruik van ICT heeft onmiskenbaar veel voordelen, maar ondoordachte investeringen kunnen deze baten gemakkelijk overstijgen. Daarom werk ik een horizontaal informatie- en ICT-beleid uit voor de Vlaamse overheid over de gemeenschappelijke aspecten van het veiligheidsbeleid, de standaarden en het gebruik van diensten en omgevingen. Bij de werving van ICT-personeel zal ik de klemtoon leggen op het versterken van de strategische competenties en de capaciteit om externe partners aan te sturen. De lokale besturen neem ik mee als partners in een geïntegreerde dienstverlening.

In het kader van personeelsbeleid zet ik de bestaande vijf strategische doelstellingen van het modern HR-beleid verder:

  1. Meer personeelsmobiliteit
  2. Hogere inzetbaarheid
  3. Optimalisatie van het loopbaan- en beloningsbeleid met uniforme arbeidsvoorwaarden
  4. Een innovatieve en flexibele arbeidsorganisatie
  5. Sterk leiderschap

De Vlaamse overheid wil een waardegedreven en duurzaam personeelsbeleid voeren, met bijzondere aandacht voor de meerwaarde van diversiteit.

 

BINNENLANDS BESTUUR

Het beleid binnenlands bestuur wil rekening houden met een aantal evoluties. Er is de vaststelling dat heel wat maatschappelijke problemen complexer worden en zich afspelen op een schaal die het niveau van de kleinere gemeente te boven gaat. De gemeenten kampen sinds het uitbreken van de financieel-economische crisis met financiële druk. Tenslotte is er geen optimale verhouding met de nog steeds te verkokerde en op controle gerichte Vlaamse administratie.

Het is de ambitie dat de lokale besturen meer dan ooit de eerste overheid van de burger, het bedrijf en de vereniging worden. De lokale besturen krijgen meer bestuurskracht, ook door structurele ingrepen door te voeren of mogelijk te maken (integratie van het OCMW in de gemeente, stimuleren van vrijwillige fusies, versterken van de regiovorming). De sterkere steden en gemeenten zullen ook meer beleidsruimte en/of bevoegdheden krijgen. Dit op het vlak van hun eigen organisatie (meer mogelijkheden voor het voeren van een eigen personeelsbeleid) als voor wat betreft hun eigenlijke beleidsvoering.

Een speciale commissie zal nagaan in welke beleidsvelden de Vlaamse sturing kan verminderd worden (en dus de lokale beleidsruimte vergroot) én de provincies zullen niet langer persoonsgebonden taken en bevoegdheden uitoefenen, hetgeen ook de verantwoordelijk van de lokale besturen zal vergroten. Daar waar noodzakelijk zal differentiatie tussen gemeenten toegestaan worden.

Het vertrouwensbeginsel staat ook centraal in de relatie tussen de Vlaamse en de lokale overheid. Het toezicht wordt waar mogelijk ingeperkt en geharmoniseerd (afschaffing van het goedkeuringstoezicht), de aan voorwaarden gebonden sectorale financiering wordt vervangen door een groter gewicht aan de basisfinanciering (Gemeentefonds blijft stijgen met 3,5%) en beleidsinformatie zal zo gebruiksvriendelijk ter beschikking worden gesteld van de lokale besturen.

Verder zullen we in deze bestuursperiode belangrijke stappen zetten inzake de transparantie en de duurzaamheid van de lokale financiën (met een evaluatie van de BBC). De lokale en provinciale verkiezingen van 2018 moeten feilloos worden georganiseerd.

Het stedenbeleid zal een innovatieve inspiratiebron zijn voor het beleid van andere steden en gemeenten. Investeren in stedelijke infrastructuur en in de aanpak van grootstedelijke problemen is een prioriteit.

Tot slot vermelden we de ambitie dat de lokale bestuursperiode 2019-2025 moet kunnen aangevat worden met een nieuw “Decreet Lokaal Bestuur”, dat een heldere en vereenvoudigde vervanging moet zijn van de huidige organieke decreten waarin de structurele innovaties (zoals de integratie van het OCMW in het gemeentebestuur en de versterkte samenwerkingsmogelijkheden tussen gemeenten) verankerd zijn.

 

GELIJKE KANSEN

Achterstellingen manifesteren zich in zowat alle aspecten van het maatschappelijk leven: onderwijs, welzijn, maar ook cultuur, huisvesting, sport,.. Samengevat: alle domeinen waarvoor Vlaanderen bevoegd is, bevatten sleutels om de maatschappelijke positie van de diverse kansengroepen te verbeteren. Slagkrachtig werken aan gelijke kansen vraagt bijgevolg een beleidsdomein-overschrijdende aanpak die stevig onderbouwd wordt.

Als minister van Gelijke Kansen richt ik mij in eerste orde op de thema’s gender, seksuele identiteit en handicap. Ook voor personen van vreemde herkomst  voer ik een gelijkekansenbeleid om een volwaardige participatie te realiseren. Elk van deze thema’s kent zijn eigenheid en vraagt een specifieke aanpak. Tegelijkertijd spelen ze onderling op elkaar in, wat hun impact soms nog versterkt. In mijn beleid heb ik oog voor de verschillen in drempels die kansengroepen ervaren en hun specifieke aanpak, maar ook voor de onderlinge synergiën. Ik zie het als een extra opportuniteit dat ik ook bevoegd ben voor integratie en de coördinatie van het armoedebeleid.

Doelstelling 1: Inzetten op een samenleving waar gelijkwaardigheid, gelijke kansen en respect centraal staan. Ik schakel alle ministers van de Vlaamse Regering in om het gelijkekansenperspectief te integreren in hun beleidsdomeinen. De focus ligt hierbij op niet-stereotyperende beeldvorming, het wegwerken van bestaande ordeningsmechanismen en het streven naar een geweldloze samenleving.

Doelstelling 2: Realiseren van volwaardige maatschappelijke participatie van alle doelgroepen binnen de samenleving. Ik leg hierbij de nadruk op fysieke toegankelijkheid, toegankelijkheid van dienstverlening en het algemeen welbevinden van ieder individu van de samenleving.

Doelstelling 3: Bestrijden van alle vormen van discriminatie, met een bijzondere aandacht voor leeftijdsdiscriminatie.

 

INBURGERING & INTEGRATIE

17,5% van de bevolking is van vreemde herkomst. In de steden is dit aandeel groter en ook kleinere gemeenten krijgen stilaan meer kleur. Er is een grote verscheidenheid in nationaliteiten.

Binnen de OESO hinkt België/Vlaanderen achterop op 4 domeinen ten opzichte van andere landen wat betreft het inschakelen van inwoners van vreemde herkomst:

  1. Arbeidsdeelname
  2. Onderwijs
  3. (kinder)Armoede
  4. Huisvesting

De kloof wordt onder meer verklaard door een laag opleidingsniveau, taalachterstand, een te rigide arbeidsmarkt en onvoldoende toegankelijke diensten.

Vertrekkend van deze ‘staat van integratie’ worden er vier strategische doelstellingen naar voor geschoven:

Doelstelling 1: Het verminderen van de etnische kloof in diverse domeinen in onze samenleving. Het dichten van de etnische kloof is niet alleen een verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid maar ook van de sociale partners, onderwijspartners, sociale organisaties, lokale besturen, media en verenigingen van mensen met een migratieherkomst. Met deze actoren worden concrete doelstellingen afgesproken en verantwoordelijkheden bepaald die, samen met de acties uit het horizontale beleidsplan, verankerd worden in een ambitieus en omvattend integratiepact. De Vlaamse overheid zal het voortouw nemen door zelf een sterk doorgedreven diversiteitsbeleid te voeren. De Vlaamse Diversiteitsambtenaar coördineert dit intern diversiteitsbeleid.

Doelstelling 2: Blijven investeren in het verhogen van de kennis van het Nederlands. Onvoldoende Nederlands kennen en kunnen gebruiken is een van de belangrijkste oorzaken van de etnische kloof. In de eerste plaats moet er een aanbod Nederlands als tweede taal (NT2) zijn dat behoeftedekkend is (zowel naar capaciteit als naar inhoudelijke en organisatorische afstemming op de noden van de anderstalige). Om dit te realiseren komen de middelen voor de organisatie van het NT2-aanbod onder mijn beheer, worden tekorten aangevuld met het private NT2 aanbod, krijgen de Huizen van het Nederlands de opdracht om taalniveaus te attesteren en worden de Huizen van het Nederlands ondergebracht in het agentschap Inburgering en Integratie. Daarnaast wordt er sterker ingezet op taal(promotie)beleid. Ook hier zal de Vlaamse overheid het voortouw nemen. Om de taal “al doende” te kunnen leren, is er ook aandacht voor de oefenkansen Nederlands. Voor dit alles kunnen voorzieningen beroep doen op het agentschap Integratie en Inburgering.

Doelstelling 3: Het lokaal integratiebeleid versterken. Samenleven vindt plaats in de buurt, in de wijk, in een gemeente of stad. Het is op lokaal niveau dat een integratiebeleid in de praktijk gestalte krijgt. Lokale besturen staan hier voor grote uitdagingen. Ik zal de nodige regelgevende initiatieven nemen om de integratiesubsidies in te bedden in het Gemeentefonds. Samen met mijn collega bevoegd voor de Vlaamse Rand zoek ik naar een gepast antwoord op de specifieke noden en vragen van de gemeenten in de (brede) Vlaamse Rand waar steeds meer personen van vreemde herkomst komen wonen, onder meer door de uitstroom uit Brussel. Voor ondersteuning kunnen lokale besturen beroep doen op het agentschap Integratie en Inburgering. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingezet op een sterk inburgerings- en integratiebeleid, waarbij werk gemaakt wordt van een verplichte inburgering in Brussel.

Doelstelling 4: Ten vierde willen we met een gericht individueel vormings- en begeleidingsaanbod en in nauwe samenwerking met de reguliere voorzieningen personen van vreemde herkomst versterken in hun integratie in de samenleving. Personen van vreemde herkomst vormen een zeer heterogene groep met diverse uiteenlopende ondersteuningsnoden. Er komt ook een gericht aanbod naar minderjarige nieuwkomers. In samenwerking met de minister van Welzijn wordt een beleid uitgerold naar niet-begeleide buitenlandse minderjarigen.

 

SOCIALE ECONOMIE

Wie werkt beschikt over een inkomen uit arbeid en zal over meer kansen beschikken in de maatschappij. Werken heeft niet enkel een financiële functie, maar ook een sociale functie. Het doorbreekt sociaal isolement, zorgt voor zelfvertrouwen en een verhoogd gevoel van eigenwaarde.

Doelstelling 1: ‘Iedereen aan het Werk/Iedereen participeert’

Ik wil werkzoekenden met een afstand tot de arbeidsmarkt alle kansen geven om de stap naar de arbeidsmarkt te zetten, bij voorkeur in het normaal economisch circuit, maar ook via collectieve inschakeling in de sociale economie wanneer dat nodig is. Met de uitvoering van de regelgeving maatwerk en lokale diensteneconomie wil ik de drempel naar de arbeidsmarkt verlagen. Omdat de collectieve plaatsen schaars zijn, zet ik in op doorstroom naar een reguliere job voor wie dit haalbaar is en voer ik een flankerend beleid om dit te ondersteunen. Hiervoor bied ik bijkomende ondersteuning aan, aan zowel de reguliere werkgevers als aan de doelgroepwerknemers die in een doorstroomtraject stappen. Bijkomend bevorder ik via een sectorale benadering de koppeling tussen vraag en aanbod van doorstroomopportuniteiten

Doelstelling 2: ‘Lokaal maatschappelijk surplus creëren’

Ik wil de lokale besturen een aantal hefbomen geven om een aanvullend lokaal dienstenaanbod uit te bouwen via competentieversterkende trajecten. Lokale besturen staan het dichtst bij de bevolking en haar noden. Zij zijn dan ook het best geplaatst om de doelstellingen van mijn beleid te vertalen naar hun specifieke context.

Doelstelling 3: ‘Investeren in een duurzame toekomst voor Vlaanderen’

Ik kies voor een complementaire en resultaatsgerichte ondersteuning van sociaal ondernemerschap zonder dat dit marktverstorend werkt. Ik zal de recente aanpassingen evalueren en bijsturen waar nodig. Ik ben er van overtuigd dat bedrijven die naast het maken van economische winst ook aandacht hebben voor mens en milieu, sterker staan met het oog op de toekomst. Met de initiatieven van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) Vlaanderen wil ik alle ondernemers op weg helpen om hiermee aan de slag te gaan. De overheid moet hierin ook zelf het goede voorbeeld geven.

 

WONEN

De beleidsnota Vlaams Woonbeleid 2014-2019 formuleert strategische en operationele doelstellingen voor deze regeerperiode.

Doelstelling 1: Realiseren van een actief grond- en pandenbeleid in Vlaanderen. Ik geef verdere uitvoering aan het decreet Grond- en Pandenbeleid rekening houdende met het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk hof. De streefdatum voor het behalen van de objectieven op het vlak van sociale huurwoningen wordt verlengd tot 2025. De objectieven voor sociale koopwoningen en sociale kavels worden behouden op 2020.

Ik zal de Vlaamse besturen stimuleren om hun gronden op de markt te brengen of aan te wenden voor het lokaal woonbeleid. Ik zal een actief beleid voeren rond de leegstand en de verkrotting van gebouwen. Ik zal hiertoe de rol van de lokale besturen met betrekking tot leegstaande en verwaarloosde panden versterken.

Doelstelling 2: Stimuleren van eigendomsverwerving. Ik blijf het realiseren van sociale koopwoningen, alsook de belening van de aankoop via een sociale lening belangrijk vinden maar de directe subsidiëring van sociale koopwoningen is stopgezet. De engagementen uit het verleden zal ik honoreren.

Rond het stelsel van de bijzondere sociale leningen wil ik onderzoeken hoe er met de beschikbare middelen een rechtvaardige en optimale stimulans voor eigendomsverwerving kan worden gegeven. Zo wil ik onder andere bij het bepalen van de maximale verkoopwaarde van het onroerend goed meer rekening houden met een regionale diversificatie.

Doelstelling 3: De versterking van de private huurmarkt. Ik wil de private huurmarkt versterken door de betaalbaarheid, de woonzekerheid en de woonkwaliteit voor de huurder te beschermen met aandacht voor de rechtszekerheid van de verhuurders.

Door de bevoegdheidsoverdracht inzake woninghuur vanaf 1 juli 2014 zal ik in overleg met de verschillende betrokken partijen een eigen regelgeving uitwerken die inspeelt op nieuwe en actuele uitdagingen binnen de huurmarkt.

Een sociaal verhuurkantoor is een belangrijke intermediair tussen de private huurmarkt en de sociale huurder. Ik zal de sociale verhuurkantoren dan ook optimaal ondersteunen bij het verder ontplooien van hun activiteiten.

Doelstelling 4: Inzetten op de sociale huurmarkt. Ik zal het kaderbesluit sociale huur evalueren met het oog op een rechtvaardige sociale verhuring aan de meest woonbehoeftigen en tegelijkertijd een grondige administratieve vereenvoudiging en een verhoging van de lokale autonomie doorvoeren.

Ik wil verder inzetten op procedures waardoor private actoren op vrijwillige basis de mogelijkheid hebben om een sociaal woonaanbod aan te bieden aan sociale woonactoren al dan niet binnen een ruimer privaat project.

Ik zal het financieringsbesluit, het procedurebesluit en de beheersvergoedingen evalueren in functie van kortere procedures, minder administratieve overlast en mogelijke efficiëntiewinsten. Ik zal VMSW ook opdracht geven om de ABC, de ondersteuningsinstrumenten voor een bouw- of infrastructuurproject te herbekijken in functie van het voorzien van een realistische kwaliteit.

Doelstelling 5:  Bevorderen van een woonaanbod op maat voor iedere Vlaming. In functie van het onderzoek van Steunpunt Wonen zal ik bekijken welke concrete acties ondernomen moeten worden om gemeenschappelijk wonen te faciliteren. Ik zal ook onderzoeken hoe ik verbeteringen op vlak van de woonkwaliteit kan realiseren voor de woonwagenbewoners. Ik streef naar een woonbeleid dat kan inspelen op actuele zorgnoden gekoppeld aan een welzijnsaanbod.

Doelstelling 6: Een duurzaam en kwaliteitsvol (ver)bouwen en wonen. Stimulerende maatregelen zal ik behouden, de renovatiepremie wordt gefiscaliseerd. Het bestaande sociaal woonpatrimonium wil ik verder energiezuinig renoveren. De woonkwaliteitsbewaking zal ik verder optimaliseren en ik wil ook bekijken waar de Vlaamse overheid een stap terug kan zetten ten voordele van de lokale besturen.

Doelstelling 7: Efficiënt en doeltreffend Vlaams bestuur. Meer autonomie voor de gemeenten en een verderzetting van de intergemeentelijke samenwerkingsprojecten wil ik kaderen in een versterking van de lokale woonregie. Zo kunnen gemeenten onder andere meer passende maatregelen in het leven roepen via het gemeentelijk toewijzingsreglement. De werking van de sociale huurmaatschappijen wil ik optimaliseren en professionaliseren. Ik voorzie in een minimale schaalgrootte van 1.000 sociale woningen tegen 2019.